We kennen allemaal mensen in onze naaste omgeving die misschien christelijk zijn opgevoed, maar niet meer naar de kerk gaan. Als we kijken naar de statistieken dan is er een geweldige leegloop in de kerken zichtbaar in een groot deel van West-Europa.
Waaraan ligt het toch dat het evangelie zo vaak wordt afgewezen? We zijn er immers van overtuigd dat alleen Christus het antwoord heeft op de diepste levensvragen van de mens. Als ik deze vraag in christelijke kringen stel, krijg ik vaak de volgende antwoorden:
1. "Omdat de mensen niets meer van God willen weten".
2. "Omdat iedereen alleen nog maar aan zichzelf denkt".
3. "Omdat het evangelie nu eenmaal een ergernis is".
Deze antwoorden zijn op zich niet verkeerd. In talloze gevallen is dit de reden dat mensen de boodschap van het evangelie afwijzen. Ik vraag me alleen maar af, waarom ik bijna nooit antwoorden hoor als deze:
1. "Omdat wij christenen, door de manier waarop wij leven, het geloof niet erg aantrekkelijk maken".
2. "Omdat onze evangelisatiemethoden je vaak de haren ten berge doen rijzen".
3. "Omdat wij ons hoofd stoten tegen gesloten deuren, in plaats van door geopende deuren te gaan".
De grote vraag is dus: Hoe kunnen we als gemeente anno 2012 rand- en buitenkerkelijken bereiken met het Evangelie zonder concessies te doen aan de Bijbelse boodschap?
In Nederland is er op dit moment een grote vraag naar opleving en verdieping binnen de kerken. Een probleem is echter dat er in de discussie over gemeenteopbouw, niet altijd een scherp onderscheid gemaakt wordt tussen modellen en principes. Een model is de manier waarop een bepaalde gemeente in een bepaald deel van de wereld succes heeft gehad, terwijl een principe voor alle gemeenten over de hele wereld van toepassing is. Zo proberen veel gemeenten andere succesvolle gemeenten te kopiëren, zonder zich af te vragen of die wijze van gemeente zijn Bijbels verantwoord en ook relevant is voor hun situatie.
Uit onderzoek is gebleken, dat er met name acht principes zijn die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gemeente. In deze studie wil ik specifiek aandacht besteden aan één van deze principes, namelijk het belang van "Liefdevolle relaties" in de gemeente. Dat is één van de factoren die van grote betekenis is voor de groei van de gemeente.
Als in een gemeente de relaties gekenmerkt worden door liefde, dan gaat daar een geweldig getuigenis van uit. Als de liefde op een geloofwaardige wijze in praktijk wordt gebracht, geeft dat de gemeente een veel grotere uitstraling dan je met evangelisatie ooit kunt bereiken. Mensen zijn niet geïnteresseerd in preken over de liefde; ze willen ervaren hoe de christelijke liefde werkt in het leven van alledag.
Deze gedachten hebben mij aan het denken gezet over de wijze waarop men in de vroege gemeente met elkaar omging en hoe Jezus met Zijn discipelen omging. Over het interne leven van de eerste gemeente is betrekkelijk weinig bekend. Toch zijn er enkele dingen waarover de Bijbel wel spreekt. We kunnen daar achter komen door een studie te maken van het woordje "elkaar" in het Nieuwe Testament. Dat woord geeft ons een indruk van de wijze waarop men in de vroege gemeente met elkaar omging of zou moeten omgaan.
- I. In de gemeente is er liefde voor elkaar
Het zal ons niet verbazen dat de uitdrukking "elkaar liefhebben" het meest voorkomt. Vooral Johannes spreekt daarover. Johannes wordt dan ook wel eens "de apostel der liefde" genoemd. Hij spreekt hier vooral over in de hoofdstukken waarin Jezus met Zijn discipelen spreekt over de tijd na Zijn heengaan (Joh. 13:1-17:26). Dit was de laatste avond die Hij samen met Zijn discipelen doorbracht en waarin Hij hen voorbereidt op wat komen gaat. Het gedeelte begint met de voetwassing en eindigt met het Hogepriesterlijk gebed. Hierin staan a.h.w. Gods richtlijnen voor het christelijke leven. Jezus leert hier zijn discipelen dat hoewel zij Hem niet meer in levende lijve bij zich zullen hebben, zij wel elkaar hebben. Daarom geeft Hij hen een 'nieuw gebod' (vs. 34-35)[1].
Nieuw aan dit gebod is het feit dat de onderlinge liefde gegrond is in de opofferende liefde van Jezus. Immers in het Oude Testament komen we reeds de opdracht tegen om God en de naaste lief te hebben. Zo lezen we in Deut. 6:5: "Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht", en in Lev. 19:18 staat: "Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf".
Jezus heeft ons getoond hoe wij de ander moeten liefhebben. Aan het begin van dit samenzijn met Zijn discipelen lezen we dat Hij "de zijnen, die Hij in de wereld liefhad", heeft "liefgehad tot het einde" (Joh.13:1). Deze liefde komt nu tot zijn hoogtepunt en afsluiting. Jezus wist dat Zijn uur gekomen was. Hij staat op het punt om de wereld te verlaten en terug te gaan naar de Vader. De Zijnen moeten echter in de wereld blijven. Hoe graag zou Hij niet bij hen hebben willen blijven, maar ook wist Hij met welk doel Hij naar de wereld was gekomen. Alleen door die weg te gaan die uitkwam bij het kruis kon Hij werkelijk van betekenis zijn voor hen. In het kruis komt Zijn liefde tot haar hoogtepunt en voltooiing[2].
De liefde van Jezus is zowel het fundament als het voorbeeld voor de wijze waarop wij elkaar moeten liefhebben[3]. Omdat Hij ons heeft liefgehad, moeten wij ook elkaar liefhebben. Dat is de opdracht die Jezus ons geeft. Maar ook leert Hij ons hoe wij de ander moeten liefhebben. Wij mogen dat doen met dezelfde liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad. Daarin is Jezus ons ten voorbeeld (vgl. Joh. 13:15; 1 Pt. 2:21). Daarom zegt Johannes in één van zijn brieven: "Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft" (1 Joh. 2:6), en: "Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten" (1 Joh. 3:16).
Als we onder de indruk komen van Gods liefde voor ons (vgl. Joh.3:16), kunnen we ons niet langer toesluiten voor de ander. Het samen aan Jezus toebehoren moet de band zijn die ons als gelovigen onderling (allelous - elkaar) met elkaar verbindt. Als we de ander gebrek zien lijden of vereenzamen, moet de liefde waarmee Christus ons heeft liefgehad ons motiveren om ook de ander lief te hebben op een zelfde wijze.
Om die liefde te tonen moeten we wel op de hoogte zijn met de problemen waar de ander mee te worstelen heeft. Hoe goed kennen we onze medebroeders/zusters in de gemeente? Kennen we de problemen waar zij mee te worstelen hebben? Als iemand een tijd niet meer in de gemeente komt, nemen we dan de moeite om even te bellen of er misschien problemen zijn? Hoeveel contact heeft u met uw broeders/zusters buiten de gemeentesamenkomsten om? Hoe vaak nodigt u iemand anders op de koffie of voor een maaltijd? Hoe trouw bezoekt u de kringen? Hoe vaak geeft u de ander eens een complimentje? Als het goed is moet de liefde een plaats hebben in ons alledaagse leven, juist ook in de kleine dingen. De liefde is vooral ook praktisch.
Deze liefde is de grondhouding voor de omgang met elkaar in de gemeente. De eerste christenen kenden geen individualistisch christendom, maar leefden hun christelijk leven in gemeenschap met elkaar. Een uiting van die gemeenschap was de "broederliefde" van de gelovigen (Rom. 12:10;1 Thess.4:9;1 Pt.1:22). De onderlinge broederliefde is de vooronderstelling van al het werk van de gemeente van Jezus Christus, zowel binnen als buiten de gemeente. Als er in de gemeente geen broederliefde is, dan wordt het Evangelie krachteloos. Dan spreken we immers onszelf tegen. Als er in een gemeente echter ware broederliefde is, dan gaat daar een geweldig getuigenis van uit in de wereld. Dan zal men aan ons zien wat het betekent om aan Christus toe te behoren, om met Hem geïdentificeerd te worden. Dan zal men door het getuigenis van de gelovigen die elkaar liefhebben Jezus Zelf gaan zien.
[1] Andere tekstgedeelten waarin het liefdegebod ter sprake komt zijn: Joh. 15;12,17; 1 Joh. 3:11,23; 4:7, 11-12; 2 Joh. 5; Rom. 13:8 vlg.; Gal. 5:13-14; Jac. 2:8.
[2] 'eis telos' ('tot het einde') liefhebben ziet niet op het ophouden van Jezus' liefhebben (alsof Hij zou liefhebben tot het einde van Zijn aardse leven en daarna niet meer), maar op het tot voltooiing komen van Zijn liefde. vgl. 'tetelestai, 'het is volbracht' (Joh.19:30).
[3] Het woord 'kathos' ('gelijk') kan zowel in vergelijkende zin ('zoals') als in redengevende zin ('omdat') opgevat worden.


